Het Veerse Meer
 

Het Veerse Meer vormde de start van de Deltawerken in Zeeland. In 1960 werd de Zandkreek afgesloten  door de Zandkreekdam en in 1961 volgde de afdamming van het Veerse Gat door de Veerse Gatdam. Samen sloten deze dammen het Veerse Meer af van de Oosterschelde en de Noordzee. Het Veerse Gat veranderde hierdoor van een getijdengebied in een vrijwel stilstaand water. Eb en vloed waren niet meer bepalend voor het aanzien van het gebied en het vrijwel vaste peil in het nieuw gevormde Veerse Meer werd ’s winters afgestemd op de afwatering van het omliggende poldergebied (-0.70 m NAP) en ’s zomers op de recreatie op en in het meer (NAP).

Bij de afsluiting van het meer werd er nog van uitgegaan dat ook de Oosterschelde volledig afgesloten zou worden. Zoals bekend is dit uiteindelijk niet gebeurd door de bouw van de Oosterscheldekering.

In de loop der jaren werd duidelijk dat het beheer van het Veerse Meer leidde tot ongewenste situaties: grote fluctuaties in het zoutgehalte, zuurstofloosheid in de diepere delen van het meer, sterke ontwikkeling van zeesla en regelmatig stankoverlast. Het peilbeheer zorgde er bovendien voor dat de mogelijkheden voor recreatie en natuur niet optimaal benut werden. De soortenrijkdom van het meer ging hierdoor duidelijk achteruit.

Om na te gaan hoe deze situatie verbeterd kon worden is vervolgens een studie uitgevoerd die erop gericht was om vast te stellen welke aanpassingen moesten plaatsvinden om een gezond watersysteem te krijgen zonder de functies van het meer sterk aan te tasten.
 

Deze studie heeft geleid tot het besluit om weer een verbinding tussen de Oosterschelde en het Veerse Meer te bouwen.  Deze verbinding, de “Katse Heule”, ook wel doorlaatmiddel genoemd, is in juni 2004 in gebruik genomen. De “Katse Heule” leidde al snel tot een duidelijke verbetering van de waterkwaliteit in het meer. Het zoutgehalte steeg spoedig van 8-10 promille chloride naar 13-16 promille en het zuurstofgehalte in de diepere delen van het meer, die de laatste tijd vrijwel zuurstofloos waren, ging duidelijk omhoog. En terwijl de jaren voor de ingebruikname gekenmerkt werden door erg troebel water was het doorzicht in de zomer van 2005 op de meeste plaatsen enkele meters, een situatie die jarenlang niet meer was voorgekomen. De soortenrijkdom in het meer nam snel na de ingebruikname van het doorlaatmiddel duidelijk toe. Spoedig werden, voor het eerst sinds vele jaren, weer kwallen in het meer aangetroffen en in 2005 zijn ook door een beroepsvisser weer tal van vissoorten, die voorheen vrijwel verdwenen waren, heel geregeld aangetroffen (o.a. jonge schol en tong, horsmakreel, makreel, griet, pitvis, fint, snotolf en diklipharder). Ook jonge kreeften, mosselen en zeenaalden komen weer duidelijk in het meer voor.

Samenvattend kan gesteld worden dat de eerste periode van de herstelde verbinding tussen Veerse Meer en Oosterschelde heel positieve resultaten laat zien voor de waterkwaliteit en de biologie van het meer. Wel moeten we ons realiseren dat we in een overgangsperiode zitten. De komende jaren zal zich een nieuwe situatie in het meer gaan instellen, waarbij de vooruitzichten zeker positief genoemd mogen worden.

Info over geschiedenis Veerse Meer:

http://www.deltawerken.com/Zandkreekdam/152.html

http://www.deltawerken.com/De-Veerse-Gatdam/54.html


Algemene informatie over de Deltawerken:

 http://www.deltawerken.com/