====================================================
"Vissoorten"
====================================================

Verspreiding: Noordelijk IJszee, het Noordoosten van de Atlantische Oceaan,
de Oostzee en de Noordzee.
De Kabeljauw, ook wel Gul genoemd,is een echte koudwatervis, ze geven dan ook de
voorkeur aan niet al te warm water en kunnen leven tot wel dieptes van 600
meter, maar ze zijn meestal te vinden op 50 tot 200 meter.
Kabeljauw is makkelijk te herkennen aan de enkele
'baardhaar' (of kindraad) op de onderkaak. Hij heeft 3 rugvinnen en 2
buikvinnen. De beide aarsvinnen zitten recht boven de tweede en derde rugvin.
De kleuren van de Kabeljauw variëren, afhankelijk van de omgeving, van
bruinachtig tot lichtgrijs. De flanken en rug zijn gevlekt en op de zijkanten
loopt een lichtgekleurde lijn.
Max. Lengte: 1.70 mtr.
Max. Gewicht: +/- 40 kg

Verspreiding: Noordzee,Barentzzee en
voor de Noordamerikaanse oostkust.
De Schelvis is dicht bij de zeebodem te vinden op een diepte van 30 tot 300
meter.
In de winter trekt de Schelvis naar de kust,hierdoor kunnen er
wel scholen van deze vissoort ontstaan van enkele vierkante kilometers.
De Schelvis is te herkenen aan de kortere onderkaak ten opzichte van de
bovenkaak.
Hij heeft een korte kindraad. Hij heeft over zijn hele lengte een
zwarte zijlijn. Tussen deze lijn en de basis van de borstvin bevindt zich een
opvallende zwarte vlek. Het bovenlichaam heeft een paarsige of groenachtig
grijse kleur, de flanken zilver en het onderlichaam is wit.
Lengte: 60 tot 70 cm en max. 1.00 tot 1.10 mtr.
Gewicht: 2 tot 4 kg en max. 17 kg.

Verspreiding: Noordoostelijk gebied
van de Atlantische Oceaan.
Door sportvissers wordt hij gezien als een actieve sportvis met zijn gewicht tot
wel 9 kilo.
In de winter is de Pollak ook wel Vlaswijting of Witte Koolvis genoemd, vooral
te vinden in de diepe zeewateren en trekt in de zomer naar de kustwateren. Ze
zijn dol op gebieden met rotsen, riffen en wrakken, waar veel voedsel zoals
kleine schaaldieren, kreeftachtigen haring, sprot en spiering te vinden is.
De
Pollak is een echte Kabeljauwachtige, al ontbreekt bij deze vis de kindraad. Wel
heel herkenbaar zijn de 3 rugvinnen, 2 aarsvinnen en in verhouding grote ogen.
Bij
de Pollak steekt de onderkaak verder naar voren dan de bovenkaak.De zwarte
zijlijn maakt bij de borstvinnen een opwaartse boog. Het bovenlichaam is donker
groenachtig bruin en de buik wit.
Max. lengte: 100 cm.

Verspreiding: Europese kust van Zuid-Spanje tot in
het noorden van Noorwegen en de Oostzee.
De Koolvis komt voor in open water soms op vrij
grote diepte. Het is een echte roofvis en maakt jacht op allerlei andere vissen,
zoals haring, sprot jonge vissen en kreefachtigen.
De Koolvis lijkt veel op de Pollak. Echter de Koolvis heeft een minder diep ingesneden staartvin, een minder vooruitstekende onderkaak en een bijna rechte lichte zijlijn.
Max. Lengte: 1.20 mtr.
Max. Gewicht: +/- 14 kg
Molva Molva
Leng / Lange

Verspreiding: voor de kust van Europa in het noorden van de Atlantische Oceaan,
van de Barentszzee en de kustwateren van IJsland tot de golf van Biskaje; voor
de zuidkust van Groenland.
De sportvisser moet de volwassen Leng zoeken in diep zeewater op een 70 tot 300
meter diepte.
Daar houden ze zich vooral op tussen rotsen en scheepswrakken, waar ze liggen te
wachten om,als echte roofvis, hun prooi aan te vallen.
De Leng heeft een lange
kindraad en het groenachtig bruine lijf heeft een lichte marmertekening.
De aarsvin en tweede rugvin
zijn lang en in de achterand van de rugvin zit een donkere vlek. De maximale
lengte van de Leng is 2 meter.
Bij
het schoonmaken van de Leng is enige voorzichtigheid geboden, want de vis heeft
vrij scherpe tanden, waaraan men zich makkelijk openhaald.
Max. lengte: 220 cm.
Max. gewicht: +/- 40 kg.

Verspreiding: Noorwegen,de
Sovjet-Unie en voor de kust van IJsland.
Net zoals de Leng is de Lom
te vinden op vrij grote dieptes in het zeewater van 50 tot 500 en, bij
uitzondering, op 1000 meter, meestal bij rotsachtige bodems.
De Lom heeft een lang, krachtig lijf met één langgerekte rugvin en een iets
kortere anale vin. Ook de baarddraad aan de kin is lang. In het voorste deel van
het lichaam gaat de zijlijn schuin naar beneden en vanaf het midden loopt hij
ongeveer evenwijdig aan de anale vin.
De kleur van de Lom is grijsbruin op de rug, met iets lichtere flanken en een
grijs/witte buik. De vinnen op rug en buik hebben van buiten een lichte en van
binnen een donkere rand.
Max. lengte: 90 cm.
Max. gewicht: +/- 12 kg.
Verspreiding: van IJsland tot in het noorden vam de Middelandse Zee.
Omdat hij het hele jaar door in vrij ondiep water leeft, wordt deze vis
veelvuldig door sportvissers gevangen.
De kleuren van de Wijting zijn een groenig zandkleurige tint op de rug en zilverkleurige flanken. Daarbij hebben ze een opvallende zwarte vlek bij de basis van de borstvin. Volwassen exemplaren hebben in tegenstelling tot de jonge wijtingen, geen kindraad en de bovenkaak is langer dan de onderkaak.
Max. lengte: 70 cm.
Max. gewicht: +/- 3 kg.
Micromestius Poutassou
Blauwe Wijting / Kolmule
Verspreiding: de Europese kustwateren van de Atlantische Oceaan, van de
Barentszzee tot Gibraltar: voor de kust van IJsland, Groenland en Newfoundland:
westelijk deel van de Middellandse Zee.
De blauwe wijting leeft over het algemeen in volle zee op 100-300 meter diepte,
maar kan soms ook in de kustwateren gevangen worden.
Het is een kleine schelvisachtige en deze vis is te herkennen aan de goed van
elkaar gescheiden rugvinnen.De vis heeft twee anale vinnen, waarvan de eerste
heel lang is.
De
baarddraad aan de kin ontbreekt en de onderkaak steekt iets vooruit.
De kleur van de Blauwe Wijting lijkt veel op die van de haring: een
lichtgrijsblauwe tot grijze rug en ziverachtige zijden en buik.
Max. lengte: 50 cm.
Anarhichas Lupus
Zeewolf / Gråsteinbit

Verspreiding: de kust van Groenland tot Newfoundland, in het zuiden tot voor de
kust van Frankrijk.
In deze wateren is hij vooral te vinden tussen stenen, op zandtongen of in gaten
in rotsen op, soms tot op 200 meter diepte.
De rugvin loopt van achter de kop tot vlak voor de staartvin, maar is hiervan
wel duidelijk gescheiden.
Net als bij andere zeewolven zijn er zijn geen buikvinnen. De Zeewolf heeft een
opvalende brede bek met de krachtige, taps toelopende tanden in de kaken, die zo
scherp zijn dat deze vis met gemak een hand of voet kan afbijten.
De zeewolf is groen tot donkergeel; de buik is lichtgeel. Op de flank zit een
grofmazig netwerk van donkere lijnen.
Max. lengte: 125 cm.
Max. gewicht: +/- 20 kg.

Verspreiding:
Noord Atlantische Oceaan bij Noorwegen, IJsland, Groenland en Noord-Amerika.
De Heilbot is zowel op de bodem te vinden als in de hogerge waterlagen.
Deze gigant onder
de platvissen is een echte roofvis en actieve jager.
Hij heeft een lang smal afgeplat lichaam met een dikke doorsnede en een flinke
bek. De onderkaak reikt tot halverwege het
onderste oog, steekt naar voren en is gewapend met veel stevige tanden.
De bovenkant van de Heilbot is grijs-bruin,maar naarmate hij ouder wordt is de
kelur donkerder, dit kan zelfs bijna zwart zijn. De onderkant is parelachtig
wit. De zijlijn loopt boven de borstvin in een boogje.
Max. lengte: 400 cm.
Max. gewicht: +/- 150 kg.
Raja
Clavata
Stekelrog / Piggskate
Verspreiding: kustwateren van heel Europa, van IJsland en het noorden van
Noorwegen tot de Zwarte Zee en ook voor de Atlantische kust van Afrika.
De stekelrog bevindt zich vaak vlak boven een zanderige of leemachtige bodem, op
een diepte van 10-60 meter gemiddeld en 400 meter max.
De stekelrog heeft een groot aantal huidknobbeltjes en flinke stekels, welke
lopen over het midden van de rug en langs de lange staart die geheel gescheiden
is van de rest van het lichaam Deze stekels zitten op ronde knopjes en zijn
vooral bij de geslachtsrijpe mannetjes sterk ontwikkeld.
De kleur van deStekelroggen kan erg verschillen,over het algemeen zijn ze
kaneelbruin tot lichtgrijs op de rug en roomwit op de buik.
Max. lengte: 100 cm.
Max. gewicht: +/- 10 kg.
Psetta Maxima
Tarbot / Piggvar

Verspreiding: Atlantische Oceaan, van het midden van Noorwegen tot Gibraltar;
Oostzee, Middellandse- en Zwarte Zee.
De tarbot leeft in ondiepe kustwateren, op 80-100 meter diepte max
De Tarbot heeft een hoog, stevig lijf, dat de vorm heeft van een bijna volmaakte
cirkel. De kop is groot. De rugvin begint op de kop, voor het oog. Het lichaam
is niet met schubben bedekt. In plaats hiervan zitten er hoofdzakelijk aan de
'oog'zijde benen knobbeltjes op de huid, die scherp aanvoelen.
De zijlijn is aan beide kanten goed zichtbaar, die boven de borstvinnen een
lichte welving vertoont.
De kleur van de vis verschilt sterk,omdat deze vis zich aan kan passen aan de
bodemkleur waarop hij ligt. De linkerkant is meestal grijsbruin tot olijfkleurig
en zit vol donkerbruine vlekjes en de rechterkant is meestal lichter, zonder
pigment.
Max. lengte: 100 cm.
Max. gewicht: +/- 25 kg.
Scomber
Scombrus
Makreel / Makrell

Verspreiding: noordelijk deel van de Atlantische Oceaan, van de Noord-Amerikaanse tot de Europese kusten, tot het noorden van Noorwegen aan toe; Middellandse- en Zwarte Zee. makrelen leven in grote scholen hoofdzakelijk dicht bij de kust en het wateroppervlak. Er is dan ook grote kans dat als de Makreel zich eenmaal voor de kust bevindt hij met grote aantallen te vangen is. Makreel van je in Noorwegen in de maanden Juli tm November. In de andere maanden vang je geen Makreel.
De Makreel is te herkennen aan de rij bijvinnetjes achter de tweede rugvin en de anale vin en aan het lange, krachtige achterlijf, dat uitloopt in een diep ingesneden staartvin. De twee rugvinnen staan vrij ver van elkaar af. De makreel heeft geen zwemblaas. Over de blauwgroene rug lopen donkere golflijnen.
Max. lengte: 50 cm.
Max. gewicht: +/- 3 kg.
Trachurus Trachurus
Horsmakreel / Taggmakrell
Verspreiding: Oosten van de Atlantische Oceaan, van Trondheim in Noorwegen tot
Zuid- Afrika, Middellandse Zee, soms in de Zwarte Zee. In het westelijk deel van
de Atlantische Oceaan voor de kust van Argentinië en Brazilië.
De horsmakreel is meestal te vinden in volle zee, boven het continentale plat.
Meestal leeft hij in grote scholen, die lange tochten ondernemen.
Horsmakrelen zijn goed te herkennen aan het dunne, sterk gecomprimeerde lichaam,
de smalle staartsteel, de langgerekte borstvinnen en vooral de gewelfde zijlijn,
afgezet met benen schildjes. Op elk van deze schildjes zit een stekel, waarvan
de punt naar achteren wijst. Vooral de stekels op het achterste gedeelte van de
zijlijn zijn scherp.
Deze
vis is hoofdzakelijk grijsblauw en de kop, de borstvinnen en de staartvinnen
hebben een gouden glans.
Max. lengte: 40 cm.
Max. gewicht: +/- 1,5 kg.
Belone
Belone
Geep / Horngjel
Verspreiding: Atlantische Oceaan, voor de kust van Europa, van Portugal tot de Oostzee, bij uitzondering tot de zuidkust van IJsland, voor de kust van Noorwegen tot Trondheim; Middellandse- en Zwarte Zee.
De geep is een lange vis met een lange met tanden bezette „bek“. De zijlijn ligt heel laag. De rug is donkergroen, de zijden zijn lichter met een zilveren glans en gelige vlekken. Over de flank loopt een donkere band.
Max. lengte: 80 cm.
Max. gewicht: +/- 1,3 kg.
Sebastus Marinus
Roodbaars / Uer

Verspreiding: noordwesten van de Atlantische Oceaan, voor de kust van Groenland
en Noord- Amerika tot Newfoundland.
Hij vertoeft gewoonlijk op 160-600 meter diepte in water van 2-6 gr.C en daalt
ook wel eens af tot op 700-900 meter diepte.
De vis is overwegend rood; aan de rugzijde is deze kleur het diepst.
Max. lengte: 100 cm.
Max. gewicht: +/- 5 kg.
Clupea Harengus
Haring / Sild

Verspreiding: noordelijk deel van de Atlantische Oceaan, deels ook in de aangrenzende wateren van het Noordpoolgebied. Europese kust tot de golf van Biskaje, voor de kust van Groenland en Labrador en het noorden van de Stille Oceaan.
Bij de haring zijn het zijdelings samengedrukte lijf en de ronde buik heel
kenmerkend. De onderkaak steekt vooruit en de bovenlip is niet gespleten. Aan de
onderkant van de staartvin heeft hij geen schubben.
De rug is donker gekleurd,met een groen/blauwige glans, de zijkanten zijn
lichter en de buik is zilverwit. De kieuwdeksels en de flanken kunnen een gouden
schittering hebben.
Max. lengte: 40 cm.
Max. gewicht: +/- 0,7 kg.
Cyclopterus Lumpus
Snotdolf / Rognkjeks/Rognkall

Verspreiding: Noordelijk deel van de Atlantische Oceaan, Oostzee, tot de Golf
van Finland.
Snotdolven zijn meestal te vinden op de zeebodem, ver van de kust, op 50-200
meter diepte.
De snotdolf is heel herkenbaar aan zijn hoge, brede lichaam, dat bedekt is met
benige uitgroeisels. Deze staan in zeven rijen; één op de rug, vier over de
flanken en twee aan de buik.
De volwassen Snotdolf is op de rug grijs en de zijden zijn grijsblauw tot
grijszwart, met donkere vlekken op de flank. De buik en de vinnen van het
mannetje worden in de paaitijd steenrood en de rug wordt bijna zwart. De
pootvissen en de jonge vissen zijn geel tot olijfgroen met een zilveren streep
op de kop.
Max. lengte: 50 cm.
Max. gewicht: +/- 5 kg.
Lophius Piscatorius
Zeeduivel / Breiflabb

Verspreiding: Oostelijke Atlantische Oceaan van Noorwegen tot aan de Straat van
Gibraltar, Middellandse Zee en Zwarte Zee.
De zeeduivel houdt zich voornamelijk op in ondiepe kustwateren. Omdat hij niet
goed kan zwemmen ligt hij meestal op de bodem, verscholen tussen de algen.
Het opvallend afgeplatte lichaam van de zeeduivel is niet bedekt met schubben.
Zijn brede, grote bek, die naar boven gericht is, is ook heel opvallend. Rond de
onderkaak en op de flanken zitten rijen huidflarden, die op stukjes wier lijken.
De zeeduivel heeft twee rugvinnen: de eerste bestaat uit drie vrijstaande
stekels en drie door een vlies verbonden stekels. De vrijstaande stekels zijn
uitgerekt tot tentakels; aan de punt van de eerste zit een vlezig, meestal
rafelig stuk huid. Met deze zogenaamde hengeldraad worden prooidieren naar de
bek getrokken.
De kleur van de zeeduivel past zich aan bij de ondergrond, maar de buik is
altijd licht.
Max. lengte: 170 cm.
Max. gewicht: +/- 40 kg.
Raffie
www.vakantie-noorwegen.nl
©
Copyright 2008 Zeevisland.com, alle rechten voorbehouden
Disclaimer